Herman Bernaerts, CEO Ibens: “De groei in de zorghuisvesting ligt bij assistentiewoningen.”

Sinds Herman Bernaerts tien jaar geleden CEO werd van vastgoedspecialist Ibens, specialiseerde het bedrijf zich in zorghuisvesting. Door die bewust keuze – het bedrijf doet niets anders meer – heeft het enorm veel kennis in huis over de ontwikkeling van zorgprojecten. Careflash sprak met Bernaerts over Design and Build, de groei van assistentiewoningen en het grote belang van dienstverlening. “Diensten zijn veel belangrijker dan stenen.”

Hoe pakt een gespecialiseerd bedrijf als Ibens zorgprojecten aan?

Herman Bernaerts: “Wij geloven sterk in de Design and Build-aanpak. Dat start altijd met de noodzaak en de vraag van de klant goed te definiëren, het eisenprogramma vast te leggen en de prijs te bepalen. Daarmee sluiten we de haalbaarheidsfase af en de architecten en ingenieurs werken binnen dat afgelijnde kader het project verder uit.”

“Wij sluiten met onze klanten ook een resultaatverbintenis af. Wij garanderen zelf dat we de regelgeving volgen en budgettair niet ontsporen, als totaaloplossing voor de klant. Om dat te doen zetten wij resoluut in op BIM, Building Information Modelling. Een architect zorgt daarbij voor een mooi ontwerp, maar voor het structuurmodel van het gebouw zit Ibens zelf in de regiestoel. Dat model zetten we al in de studiefase in 3D, zodat we doorheen het proces onze kostprijs goed kunnen opvolgen. Bij elke verandering zie je immers meteen de invloed ervan op andere delen van het project en op de prijs. Ibens werkt daarnaast ook zoveel mogelijk met prefabelementen die we als verschillende componenten assembleren, volgens ons de meest voordelige manier van bouwen.”

 

In een interview in ‘Bouwbedrijf’ pleitte u enkele jaren geleden al voor BIM, maar benoemde ook de pijnpunten, zoals een gebrek aan vertrouwen tussen de partners. Hoe zit het daarmee?

Bernaerts: “Dat vertrouwen blijft het grootste struikelblok. Dat is in de bouwwereld niet ingeburgerd, gelukkig kan je als aannemer wel  je competentie bewijzen in D&B-aanpak, bijvoorbeeld door referentieprojecten. We werken dan ook vaak met en voor de partners die we van vorige projecten kennen.”

“Dat vertrouwen is trouwens ook het grote verschil met het klassieke model. Bouwheren moeten er immers van uit kunnen gaan dat alle bouwpartners van goede wil zijn, maar die instelling is er de laatste jaren niet beter op geworden. Design and Build is dan ook meer een cultuur dan een contractvorm, en die cultuur is in Vlaanderen nooit echt aangekweekt. De traditionele manier van werken is: een prijs geven en zwijgen over de fouten die in het dossier zitten, om zo later meerprijzen te vragen. In dat proces geloof ik absoluut niet, dat is ten dode opgeschreven.”

 

 

EVENWICHT IS BEREIKT

Welke evoluties ziet u bij de bouw van woonzorgcentra?

Bernaerts: “Het aantal projecten neemt af. Da’s logisch: eerst werden de VIPA-subsidies on hold gezet zodat de publieke sector veel projecten moest annuleren. Dan kwam daar ook de erkenningskalender bij. Vroeger kon je met een voorafgaande vergunning bouwen, met zekerheid van erkenning bij oplevering. Daar heeft de overheid aan de rem getrokken, ook voor de volgende jaren. De reden is puur budgettair. Er is gewoon niet genoeg geld om de vraag naar zowel huisvesting als zorg blijvend te subsidiëren op de oude manier.”

 

Dat is toch problematisch met de vergrijzingsgolf die op ons afkomt?

Bernaerts: “Dat is dubbel, hoor. Momenteel zijn er woonzorgcentra genoeg en de wachtlijsten zijn erg gekrompen. Dat komt enerzijds door de groei van thuiszorg, die de laatste vijf à tien jaar enorm is gegroeid. Anderzijds werden er op korte termijn heel veel nieuwe projecten ontwikkeld en gebouwd. Daardoor is het evenwicht ondertussen bereikt. Dat merk je ook aan de radiostilte in de pers: er is toch niemand die moord en brand schreeuwt over het tekort aan opvangplaatsen voor senioren?”

 

Wordt er daarom meer ingezet op assistentiewoningen, de stap vóór het woonzorgcentrum?

Bernaerts: “Die zijn inderdaad populair. De vraag blijft natuurlijk of de thuiszorg die met assistentiewoningen gepaard gaat betaalbaar blijft. De vergrijzing zal immers niet stoppen, en de zorgvraag stijgt met de leeftijd. De financiering van de zorg zal dus anders moeten en er zal waarschijnlijk meer eigen inbreng nodig zijn.”

“De assistentiewoningen die gekoppeld zijn aan een woonzorgcentrum hebben trouwens het meeste succes. Tien jaar geleden was het dogma: mensen willen niet in de buurt van een WZC wonen, want ze willen daar nog niet mee geconfronteerd worden. Het tegendeel is echter waar: dankzij de wakkere wacht in zulke centra zijn die bewoners vaak veel geruster. Thuisverpleging doet het op vlak van spoedhulp ook heel goed, maar blijkbaar is dat voor die mensen toch een ander gevoel.”

 

De diensten die aangeboden worden zijn dus minstens even belangrijk?

Bernaets: “Het gaat inderdaad in hoofdzaak om de diensten, niet over de stenen. Een mooie woongelegenheid vraagt een eenmalige investering, maar vooral in de diensten moet je blijvend investeren. Dat vergeten ontwikkelaars wel eens, terwijl gelukkig veel andere spelers daar het verschil maken.”

“De vereenzaming van senioren is daarbij een belangrijk aandachtspunt. De thuiszorgverpleegster blijft maar enkele minuten per dag, de rest van de tijd zitten mensen daar alleen. Daar blijft groepshuisvesting, met assistentiewoningen, een heel goede oplossing voor.”