Interview met Stéphane Vermeulen, deel 2: "Neuropsychiaters en architecten moeten sámen nieuwe gebouwen ontwerpen."

Technologische vooruitgang zal een grote invloed hebben op hoe we met zorggebouwen moeten omgaan. En wetenschappelijk onderzoek bewijst steeds meer dat je omgeving een belangrijke invloed heeft op je brein. Stéphane Vermeulen  - VK Architects & Engineers - gelooft ten stelligste in zorgtechnologie en vertelt erover in het tweede deel van zijn gesprek met Careflash.

Lees hier opnieuw het eerste deel van het gesprek met Stéphane Vermeulen

Op niveau van het ziekenhuis zelf, wat ziet u daar als evoluties?

Vermeulen: “Het Nederlandse ‘layermodel’ biedt in functie van de evoluties in de zorgtechnologie volgens mij de meeste mogelijkheden. Het ‘layermodel’ splitst het gebouw als het ware in vier grote delen op : Hotel, Hot Floor, Fabriek en Kantoor. Een derde van de oppervlakte gaat meestal naar het Hotel, het verblijfsgedeelte. Daarbij komt dan het medisch-technisch blok, de zogenaamde ‘Hot Floor’, waar alle kritische diensten, van spoedopname over intensive care tot OK’s, zijn geïnstalleerd. Die diensten evolueren het snelst, dus kan je die niet in een zwaar, monolithisch gebouw plaatsen. Dat moet in een zeer evolutieve, hoog-technische omgeving. Daarnaast komen dan de supportfuncties zoals een sterilisatieafdeling of een labo. Die kunnen samen in een soort logistiek gebouw, de ‘Fabriek’. Als vierde pijler heeft zo’n ziekenhuis ook een poliklinische afdeling waar je mensen echt in een aangename setting kan ontvangen met een warm onthaal, consultatieruimtes en lokalen voor lichte behandelingen. Dat gebouw, ‘het Kantoor’, kunnen we dan heel standaard ontwerpen.

“Die vierdeling hebben we toegepast in onze nieuwbouw in Charleroi, het grootste ziekenhuisproject van Wallonië. Het hotelgedeelte splitsten we wel nog verder op voor drie groepen: de dagpatiënten, de mensen die binnen de week kunnen vertrekken en mensen die een maand of langer blijven. De aanpak voor die drie groepen verschilt erg. Die dagpatiënt heeft bijvoorbeeld eerder een loungesetting nodig dan een echte kamer. Voor patiënten die langer verblijven zoals bijvoorbeeld oncologie, geriatrie of psychiatrie heb je dan weer aangepaste leefruimten nodig. Als je het herstelproces wil bespoedigen moet je die kamers ook zo aangenaam mogelijk maken: ruimer en met meer privacy en comfort, zodat de patiënt zich die ruimte eigen kan maken en zelfredzaam kan zijn. Zeker voor revalidatiepatiënten is dat nodig, dat herstelproces duurt immers weken. Mentaal ben je wel in orde, maar fysiek heb je iets voor of ben je bedlegerig. Dan is het belangrijk om juist die patiënt te stimuleren. Het is aan ons als architect, in nauwe samenwerking met de eindgebruikers, om daarvoor de optimale setting te voorzien.”

“Dat ‘layermodel’ moeten we koppelen aan een campusmodel. Dat model laat toe om tal van zorggerelateerde faciliteiten met elkaar te verbinden, gecentreerd rond een ‘zorgboulevard’. Zo’n opbouw creëert flexibiliteit voor de toekomst. De Scandinavische landen lopen daar – alweer – in voorop, maar VK heeft zelf ook zo’n campus ontworpen in Sint-Petersburg. (zie afbeelding, n.v.d.r.) Die zorgcampus combineert naast alle zorgfaciliteiten, zoals een zorghotel, ook onderwijs, studentenverblijven, sportinfrastructuur, research en een congrescentrum als landmark building. Het geheel is perfect geïntegreerd in het groen en de onmiddellijke stedelijke omgeving en is aangesloten op alle vormen van mobiliteit. Dat is het model waar we naar moeten evolueren.”

 

Hoe overtuig je een bouwheer van die ideeën?

Vermeulen: “Aangename plekken creëer je door ruimtes te scheppen met de juiste proporties, hoogtes, perspectieven en zichten, en natuurlijk ook daglicht. Akoestiek wordt daarbij ook een steeds belangrijkere factor, zeker in grote healthcarefaciliteiten. Als je de akoestiek kan controleren, geef je meer mogelijkheden om tot rust te komen. Het is leuk om ook daarvoor bij VK experten in huis te hebben. Zo kan je alle specialisaties onder één dak aanbieden aan je zorgklant. ”

“Het blijft wel vaak moeilijk om bouwheren te overtuigen. Wat wij als architecten intuïtief aanvoelen – dat een aanpassing aan je fysieke omgeving een invloed heeft op je welbehagen en dat je van zo’n ingreep sneller beter wordt – is moeilijk in concreet bewijs om te zetten. Gelukkig zorgt wetenschappelijk onderzoek ervoor dat we daar meer en meer argumenten voor op tafel kunnen leggen. Neurochirurgen analyseren bijvoorbeeld op een wetenschappelijke manier de invloed van verschillende omgevingen op het brein. Door een CT-scan te nemen zie je bijvoorbeeld dat veel hersenzones positief geprikkeld worden door natuur of mooie uitzichten. VK Architects & Engineers doet al jaren research en verdiept zich op internationale congressen in die materie. Niet alleen om mooie plaatjes te zien, maar vooral voor die wetenschappelijke onderbouwing ervan. Je ziet dan bijvoorbeeld hoe een oriëntatie of positie van een raam een invloed kan hebben, bijvoorbeeld op absenteïsme. Het verband tussen werken in een donkere ruimte en absenteïsme is trouwens al wetenschappelijk aangetoond. Ik geloof dan ook in een multidisciplinaire aanpak waarbij neuropsychiaters en researchinstellingen samen met architecten samenwerken om gebouwen te ontwerpen, zeker voor maatschappelijke projecten.”

“Een mooi voorbeeld van de visie van VK daarin is de wedstrijd voor het protontherapie- en MRT-centrum in het UZ Leuven, een afdeling op de tweede ondergrondse verdieping zonder daglicht. In onze wedstrijdsimulatie (zie afbeeldingen) creëerden we voor die hoogtechnologische dienst een niet-institutionele balie met ruime wachtzones rond een dubbelhoge patio. Dankzij die patio trokken we het zenithaal licht zoveel mogelijk binnen. Dat is niet alleen aangenaam voor de mensen die daar wachten, maar ook voor het personeel. Ook in de afgesloten therapieruimtes speelden we met afbeeldingen en licht om de stress voor de behandelde patiënten zoveel mogelijk te verlagen. Herstellen kan in recovery seats waar je een zicht hebt op kamerhoge beelden van de natuur.”

 

Zal die vooruitgang in zorgtechnologie ook voor de patiënt merkbaar zijn?

Vermeulen: “Ik geloof ten stelligste in zorgtechnologie, ook voor het dagelijkse leven van de patiënt. Neem nu het elektronisch patiëntendossier. Dat staat bij ons nog in z’n kinderschoenen, maar in Scandinavië brengen ze dat al twintig jaar in de praktijk. Een dokter kan daarmee perfect je volledige medische dossier raadplegen, een veel betere diagnose stellen en misschien onnodige behandelingen of scans vermijden. Die preventieve aanpak spaart ons alweer tijd en geld uit. We kunnen en moeten trouwens ook meer focussen op secundaire preventie – screening en opvolging – en vooral tertiaire preventie – een gezonde levensstijl ontwikkelen –  met behulp van onder meer zorgtechnologie. Dankzij allerlei monitoringsgegevens wordt het veel gemakkelijker om zelf je eigen medische status op te volgen en die parallel door te sturen naar je behandelende arts. Zo kan die arts bijvoorbeeld vroegtijdig anomalieën vanop afstand detecteren waardoor ze veel sneller kunnen ingrijpen, met een verhoogd herstel als gevolg. Dat is nu al geen fictie meer, alleen is het draagvlak er nog niet.”

“Zorg zal dus morgen volledig gedigitaliseerd en gedelocaliseerd worden. Patiëntendata, met binnenkort ook een persoonlijk DNA-profiel, zullen centraal staan dankzij cloudtechnologie. De techniek is beschikbaar en beproefd. Nu is alleen nog samenwerking nodig – zowel regionaal, nationaal als over de landsgrenzen heen – en een continue procesverbetering. E-Health en m-Health zullen dit proces in een stroomversnelling plaatsen en het gedrag van patiënten doen veranderen. Ik merk dat die overheid - en Maggie De Block - die boodschap alvast begrepen hebben.”