Interview Jan Valgaeren, algemeen directeur Ziekenhuis Maas en Kempen. “Een ziekenhuis heeft niet als doel om massaal te hospitaliseren."

De twee campussen van Ziekenhuis Maas en Kempen – in Maaseik en Bree – verdwijnen binnenkort en maken plaats voor een gloednieuw gebouw in het westen van Maaseik. Het had er eigenlijk al in 2010 moeten staan, maar zo’n groot project realiseren is altijd een huzarenstukje. Careflash sprak met Jan Valgaeren, algemeen directeur van het ZMK, over de nakende verhuisbeweging en de invloed van het nieuwe gebouw op zijn organisatie.

Herman Reynders, de gouverneur van Limburg, zei bij de eerstesteenlegging dat hij bewondering had voor het volharden in dit dossier. Hoezo?

Jan Valgaeren: “Dit project heeft inderdaad een bewogen geschiedenis gehad. De beslissing dat deze regio een nieuw ziekenhuis zou krijgen ter vervanging van de twee huidige, bestaat al lang. Politiek gekibbel heeft het project echter op de lange baan geschoven. Toen het uiteindelijk toch tot een fusie tussen de twee campussen kwam, stak de ruimtelijke ordening stokken in de wielen: het ziekenhuis moest binnen het kleinstedelijk gebied liggen, maar wel in de richting van Bree. Dat noopte tot een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan, waar actiegroepen dan weer tegen protesteerden. Het hele project had kortom wat voeten in de aarde, maar we hebben gedreven volgehouden en kunnen nu fier een nieuw ziekenhuis aanbieden aan de gemeenschap.”

 

Met één campus in plaats van twee bespaar je op evidente zaken zoals het reduceren van dubbele functies en minder logistiek tussen de twee gebouwen. Zijn er ook terugverdieneffecten die minder voor de hand liggen?

Valgaeren: “Zeker. Op de campus van Bree hebben we bijvoorbeeld verplicht een tweede laboratorium om de materniteit te ondersteunen. Een bevalling kan je immers niet plannen, dus om die acute functie te vervullen moet er altijd een laborante aanwezig zijn voor bloedanalyses. Een ziekenhuis wordt ook pas erkend als er ook de klok rond een arts – die 200.000 tot 250.000 euro per jaar kost –  aanwezig is en inslaapt. We zijn verplicht om op elk campus een arts te plaatsen, ook al heeft het ziekenhuis in Bree geen spoedafdeling of afdeling intensieve zorgen. Die kost valt op een ééngemaakte campus weg.”

“Een ander voorbeeld is het dataverkeer. Het ICT-personeel bestuurt de servers vanuit Maaseik, met permanentie in Bree. We gebruiken daarvoor een klassieke lijn, want hier in het noorden van Limburg ligt nog geen glasvezelverbinding. Die lijn kan onderbroken zijn, wat een zwakte is voor ons ziekenhuis. Daarbovenop kost ze ons handenvol geld. Dat probleem is binnenkort ook van de baan.”

 

Hoe belangrijk is dat nieuwe gebouw in het totale financiële plaatje van het ziekenhuis?

Valgaeren: “Zo’n nieuwbouw is natuurlijk een middel, geen doel op zich. Een gemotiveerd en geschoold medisch kader is nog altijd het allerbelangrijkste voor een ziekenhuis. Maar toch: we maken nu iets minder dan één procent winst: in 2014 ongeveer 650.000 euro op een omzet van 70 miljoen. Dat is te weinig, maar toch niet slecht. Er zijn immers genoeg voorbeelden van ziekenhuizen die geen winst maken. De beste leerlingen van de klas zitten echter aan 2 à 3 procent en dankzij een goede exploitatie van het nieuwe gebouw moeten we dat ook kunnen. Een eerste factor daarin is dat we de exploitatiekosten beter onder controle zullen kunnen houden, onder meer door betere technieken en betere isolatie. Ten tweede kunnen we efficiëntiewinsten boeken, bijvoorbeeld op vlak van personeel. We zouden immers een zestal voltijdse equivalenten kunnen besparen dankzij de nieuwe campus. Let wel: dat zijn we niet van plan. We gaan eerder méér aanbieden met het extra personeel en dus meer activiteiten ontwikkelen. Een nieuw gebouw heeft trouwens vaak een soort aantrekkingskracht die de activiteitsgraad van een onderneming met 5 tot 7 procent doet stijgen.”

 

Wordt er in het nieuwe ziekenhuis ook ingezet op meer ambulante dienstverlening – en dus op een kortere gemiddelde verblijfsduur?

Valgaeren: “Wij hebben die omslag naar meer ambulante dienstverlening al gemaakt. Tussen 2011 en 2014 steeg het aantal opgenomen patiënten jaar na jaar, maar daalde het aantal verpleegdagen telkens ook. Als je naar onze financiering kijkt, is die omslag ook logisch: we worden gefinancierd op basis van onze verantwoorde activiteit, terwijl we onze rekeningen betalen op basis van het aantal effectieve ligdagen. We zullen er dus alles aan doen om onze patiënten zo snel mogelijk – op een verantwoorde manier – uit het ziekenhuis te ontslagen.”

“Ook los van die financiering vind ik het logisch dat we die stap zetten. Wij – de ziekenhuizen – hebben niet als doel om massaal te hospitaliseren. Je moet een onderscheid maken tussen ‘Leven met zorg’ en ‘Zorg om te leven’. Dat zijn twee verschillende concepten. Leven met zorg doe je in een woonzorgcentrum, wat een hotelfunctie heeft. In een ziekenhuis krijg je zorg om te leven, zorg die je redt uit een potentieel levensbedreigende situatie. Op het moment dat die zorg niet meer nodig is, hoeven patiënten er niet meer te blijven.”

 

De OESO – de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling – stelt dat 3 bedden per 1000 inwoners voldoende is. In Vlaanderen komen we aan 4 bedden per 1000 inwoners. Teveel dus?

Valgaeren: “Met 213 ligbedden voor erkende hospitalisatie voor een regio van 85.000 mensen ligt het Ziekenhuis Maas en Kempen onder dat gemiddelde. Je moet dat dus per streek bekijken. Maar over het algemeen moet het inderdaad efficiënter. Het budget financiële middelen dat wij van de overheid krijgen om onze hotelfunctie waar te maken – dus zonder artsenkosten en dergelijke – bedraagt 20 tot 22 miljoen euro. We hebben ongeveer 50.000 tot 52.000 hoteldagen, dat komt dus neer op 400 euro per dag. Een patiënt betaalt voor een ligdag 15 euro, indien je geen supplementen neemt. Wie betaalt het verschil? De gemeenschap. Dan kan je als ziekenhuisexploitant niet de pretentie hebben om de overheid om nog meer te vragen, maar moet je je eigen zorg zo efficiënt mogelijk organiseren. Onze verhuizing kadert in dat efficiëntieverhaal.”

 

 

Neuzen in dezelfde richting

 

Wanneer vindt die verhuizing naar het nieuwe gebouw plaats?

Valgaeren: “Idealiter in het voorjaar van 2017, tussen maart en mei. Niet in de winter, wanneer er meer zieken zijn en het dus drukker is, en niet in de zomer, wanneer veel mensen op vakantie zijn. Zo creëren we ook voldoende tijd om de volgende ‘ziekenhuiswinter’ voor te bereiden.”

 

En hoe bereiden jullie die nu al voor?

Valgaeren: “De afstemming tussen mensen die nu op verschillende campussen actief zijn, maar binnenkort samen zullen werken, krijgt veel aandacht. Je zit nu eenmaal met een andere werkcultuur – andere infrastructuur, andere afdelingen – en mensen die elkaar minder goed kennen. Ook ondersteunende diensten zoals het onthaal en de catering zullen fusioneren. We zullen 2016 gebruiken om alle neuzen daarvoor in dezelfde richting te draaien, al heeft het ziekenhuis daar de afgelopen jaren al aan gewerkt, bijvoorbeeld door roterend personeel.”

 

Hoe pakken jullie de communicatie over de verhuizing aan?

We komen niet vaak in de pers, want publiciteit kost ook geld en het is voor ons niet nodig om in elk boekje te verschijnen. Dat geld besteden we liever aan degelijke en correcte zorg. Wij kiezen vooral heel doelgericht onze communicatiekanalen, zoals de stadsmagazines van Bree en Maaseik, de streekkrant en onze website. Iedereen die met het ziekenhuis begaan is, weet met welk project we bezig zijn. We hebben infodagen georganiseerd voor personeel en omwonenden en zullen dat in de toekomst nog doen. We richten ons ook op specifieke doelgroepen: huis- en tandartsen of kinesisten uit de streek bijvoorbeeld. Zij zijn immers de schakel tussen de patiënt en het ziekenhuis. Andere mensen informeren over onze nieuwbouw is voor ons minder van belang. Die vragen zich vooral af of er wifi in het nieuwe gebouw is en hoe groot de parking zal zijn. (lacht)