Interview met Patrick Syen en Patrick Kerkhofs (Probis)

Patrick Syen en Patrick Kerkhofs zijn gepokt en gemazeld in het zorgwezen. Als afgevaardigd bestuurders van Probis volgen ze het reilen en zeilen van de (ouderen)zorgsector al vijfentwintig jaar vanop de eerste rij. Careflash strikte beide heren voor een boeiende babbel over de evoluties in de sector: “Avant-garde op het vlak van architectuur of technische ontwikkeling zijn voor ons ondergeschikt aan levenskwaliteit.”

Probis is een vaste waarde in het zorgwezen. Als advies- en dienstenorganisatie met diverse specialisaties draagt het meer dan zijn steentje bij aan de realisatie van innovatieve, kwalitatieve zorgprojecten. Probis begeleidt lokale bestuurders, beheerders en managers van welzijns- en zorgvoorzieningen bij het optimaliseren van hun (nieuwe of bestaande) organisatie en fungeert daarnaast ook nog eens als drijvende kracht achter felgesmaakte vakbeurzen als Healthcare en Expo 60+. Afgevaardigd Bestuurders Patrick Syen en Patrick Kerkhofs hebben voeling met alle niveaus van het (ouderen)zorgwezen en maakten hun onafhankelijke onderneming tot een volwaardig expertisecentrum met een eigen vastgoedontwikkeling. Het loont dan ook de moeite om hen aan het woord te laten over enkele van de belangrijkste uitdagingen die zij en de rest van de zorgsector de komende jaren moeten zien aan te pakken.

Patrick Syen: “De kracht van onze groep is onze polyvalentie en de enorme kennis die we daardoor hebben opgebouwd. Bouwcoördinatie, organisatieontwikkeling, interimmanagement, crisismanagement, strategisch advies, …: al die zaken stellen we ter beschikking van de publieke, de caritatieve én de commerciële sector. Bovendien kunnen we onze inzichten op het vlak van bouw of exploitatie toetsen in een eigen laboratorium, wat met het oog op onze adviesverlening een enorme troef is. In dit opzicht bekleden we een unieke positie in het zorglandschap, dat toch voor een aantal grote uitdagingen staat. De maatschappij is niet langer voldoende rijk om aan ongebreidelde tarieven te bouwen. We zullen de vinger op de knip moeten houden en zeer intelligent te werk moeten gaan. Goede, degelijke gebouwen die ouderen in de eerste plaats in staat stellen om zo aangenaam mogelijk te leven, hebben wat ons betreft de voorkeur. Extremen op het vlak architectuur of technische ontwikkeling zijn voor ons ondergeschikt aan levenskwaliteit.”

 

De opmars van ontwikkelaars

Jullie zitten inmiddels een kwarteeuw in het vak. Hoe hebben jullie de sector doorheen de jaren zien evolueren?

Patrick Kerkhofs: Wat opvalt, is dat veel meer verschillende partijen optreden als exploitant. De markt is een stuk diffuser geworden. Waar er vroeger een tweedeling tussen de openbare en de caritatieve sector bestond, zijn er nu ook spelers (projectontwikkelaars, ‘zorggroepen’, …) die ouderenzorg echt als een markt zien. We moeten er als sector dan ook op toezien dat zorgprojecten niet gereduceerd worden tot bouwprojecten waar men voornamelijk commercieel voordeel uit wil puren.

Patrick Syen: Een evolutie die we met lede ogen aanzien, is dat het steeds moeilijker wordt om betaalbare kwalitatieve zorg aan te bieden. De marges zijn op zich al vrij klein. Als een groot deel van die marge dan nog eens uitgaat naar de ontwikkeling, dan kom je onvermijdelijk uit bij prijzen die haast niemand kan en wil betalen. Op die manier worden niet enkel kopers, huurders of investeerders, maar ook uitbaters gedupeerd. Zij moeten immers beknibbelen op kwaliteit om de boel financieel rond te krijgen. Wij zijn er dan ook van overtuigd dat je verkoopbare serviceflats best koppelt aan een woonzorgcentrum, zodat je die dienstverlening gegarandeerd en aan een aanvaarbare prijs kan aanbieden.

Patrick Kerkhofs: De vroegere bouwheren waren bijna altijd ook exploitant, maar vandaag is dat lang niet meer het geval. Het vastgoed is hier net als in Nederland losgekoppeld van het zorgaanbod, al heeft dat door de tussenliggende factor ‘ontwikkeling’ niet geresulteerd in een gezond evenwicht tussen een professionele vastgoedbeheerder (vastgoed) en een operator (exploitatie). De klassieke verhoudingen zijn dus vertroebeld, en in sommige gevallen leidt dat jammer genoeg tot te winstgedreven projecten. De regie voor de ontwikkeling van zorgvastgoed zou opnieuw in handen van de exploitanten moeten komen. Als ze niet bij hun projecten betrokken worden, is het vaak zeer moeilijk om de gewenste graad van functionaliteit te realiseren.

 

De opkomst van de projectontwikkelaars leidt met andere woorden niet bepaald tot een betere zorg…

Patrick Syen: Zo kan je het stellen. Minister Vandeurzen heeft uitstekend werk geleverd, maar het schrappen van de programmatie van serviceflats en het loslaten van dit segment op de projectontwikkelingswereld dreigt te leiden tot een wildgroei aan zogenaamde ‘assistentiewoningen’ en – bijgevolg – kwaliteitsverlies en structurele leegstand. De overheid zou die programmatie beter blijven controleren, want een volledige bezetting van alle momenteel geplande en vaak autonome serviceflats of assistentiewoningen is een utopie. Als de overheid via marktregulering een oogje in het zeil zou blijven houden, zou dat allicht leiden tot een gemiddeld goedkopere dienstverlening en huisvesting. Aangezien de ontwikkelingswereld nu de vrije loop heeft, zijn er helaas nog weinig corrigerende maatregelen mogelijk.

Patrick Kerkhofs: En dat kan tot ernstige uitwassen leiden. Mits registratie kan in feite iedereen een complex met assistentiewoningen bouwen, nota bene zonder officieel erkend te zijn en aan de erkenningsnormen te voldoen. Je mag de naam ‘assistentiewoning’ dan wel niet gebruiken, maar in de praktijk maakt dat niet al te veel verschil. De overheid laat je dus de keuze tussen ‘geregistreerd’ en ‘erkend’. Met andere woorden: gebruikers hebben geen enkele zekerheid, noch op het vlak van infrastructuur, noch op het vlak van dienstverlening. Op die manier legaliseer je toch quasi de illegaliteit? 

 

Groeiend aantal dementerenden

Laten we het nog even over een andere boeg gooien. Een problematiek waar ook jullie allicht steeds vaker mee te maken krijgen, is het stijgend aantal dementerenden. Is onze zorgsector daarop voorzien?

Patrick Syen: Het lijken me vooral woonzorgcentra die zich zullen moeten richten op die doelgroep. Mensen blijven steeds langer thuis (onder meer door een goed functionerend thuiszorgsysteem), verhuizen nadien vaak nog naar een assistentiewoning en komen pas op het eind van de rit terecht in een woonzorgcentrum. Het huidige aanbod woonzorgbedden lijkt me wel toereikend om die druk aan te kunnen.

Patrick Kerkhofs: Bedlegerige dementen kunnen we opvangen in een hedendaagse setting, maar vooral de zorg voor niet-fysiek belaste dementen (jongdementen en dementen met wegloopgedrag) vormt een hele uitdaging. Vangen we ze op in een heterogene omgeving of een homogene, gespecialiseerde omgeving? Tot nu toe heeft de sector wat dit betreft een slingerbeweging gemaakt en zien we dat er opnieuw meer gespecialiseerde omgevingen worden gecreëerd.

Patrick Syen: Als het niet langer lukt om bepaalde dementen op te vangen in de paramedische beslotenheid van een woonzorgcentrum, zouden ze moeten kunnen verhuizen naar een homogene omgeving zoals De Wingerd in Leuven of Menos in Genk, die wel de nodige (psycho-)geriatrische specialismen in huis hebben. Mensen zullen moeten aanvaarden dat hun demente moeder of vader op een bepaald moment toch nog moet verhuizen omdat ze niet langer op hun plaats zijn in een woonzorgomgeving. Dat is zeker geen schande, en het zou ongetwijfeld goed zijn voor de andere bewoners. Maar het gaat wel gepaard met een moeilijk aanvaardingsproces.

 

Dit is het eerste deel van het interview dat Careflash afnam van Patrick Syen en Patrick Kerkhofs. In een volgend artikel gaan we met de twee zorg-ondernemers dieper in op de dieper in op  de architectonische aspecten van de zorgsector.